De Raaf (April-June 1997)


Tegen het Europa van de markten

printable version

TAKIS FOTOPOULOS

 

 

In juni zal het proces van de Europese integratie op een hoger plan gebracht worden, hetgeen aan het begin van de volgende eeuw zou kunnen leiden tot de aaneensluiting van verschillende Europese Staten in een Economisehe en Monetaire Unie (EMU). Deze Unie vertegenwoordigt op geen enkele manier de oude socialistische droom van een “Europa van de volkeren”. De Unie vertegenwoordigt niet eens een fusie van staten in een nieuwe superstaat, alhoewel de mogelijkheid van een toekomstige federale staat niet uitgesloten mag worden. Wat de Unie wel vertegenwoordigt, is de schepping van een Europese markteconomie als een integraal onderdeel van de huidige dominante, geinstitutionaliseerde markteconomie. Hoe begon dit proces, welke factoren maakten de integratie noodzakelijk en wat is de betekenis van de EMU voor de Europese bevolking, en niet alleen voor de economisohe elites die tot integratie besloten? Dit zijn enkele vragen waarop in dit artikel getracht wordt een antwoord te formuleren.

1. Etatisme versus internationalisering

De twee belangrijkste en tegengestelde trends die de periode 1945-1970 kenmerkten, waren de uitbreiding van de staat (in de betekenis van actieve staatscontrole over de economie en uitgebreide inmenging in het zelf-regulerende mechanisme van de markt, gericht op directe vaststelling van het niveau van economische activiteit, dat wil zeggen het productieniveau, de werkloosheid etc.) en de toenemende internationalisering van de markteconomie. De uitbreiding van de staat was niet alleen een gevoig van de economische belangen van de economische elites (economische groei en winsttoename waren voor een groot gedeelte afhankelijk van staatsactiviteit om een groeiende binnenlandse vraag te creeren), maar de uitbreiding was ook een gevolg van de eisen van de Europese bevolking voor de schepping van een andere maatschappij dan die van voor 1945, gekenmerktdoor massale werkloosheid, armoede en deprivatie (dit vooral in de vorm van de verzorgingsstaat en volledige werkgelegenheid)

Deze naoorlogse uitbreiding van de staat had echter een zeer belangrijke economische consequentie. Het leidde tot een lange-termijn stijging in de productiekosten: direct omdat de uitbreiding van de verzorgingsstaat een groeiende last betekende voorde ondernemers in de vorm van sociale premies en belastingen; en indirect omdat in de situatie van bijna-volledige werkgelegenheid de vakbonden met succes druk konden uitoefenen op het loonniveau dat ver uitging boven de productiestijging. Dit was een groot probleem voor de economische elite in de periode 1968-1973, toen massale stakingen, niet onder controle van de vak­bonds-bureaucratie, tot een snelle stijging van de lonen en een navenante daling van de ondernemers­winsten leidden.

Ondanks de snelle uitbreiding van de staatsinvloed onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog werd, ook de internationalisering van de markteconomie actief bevorderd door de kapitalistiscche landen, zowel op wereldniveau (GATI) als op regionaal niveau: de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Vrijhandels Associatie (EFTA). De oude nationale tegenstellingen die de eerste heift van de 20e eeuw kenmerkten en die tot twee wereldoorlogen leidden, werden snel overwonnen dankzij de uitbreiding van het “reeeel bestaande socialisme” en het opbloeien van na­donate bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld. Commerciele rivaliteit tussen de grootste kapitalistische naties werd vervangen door een geweldige uitbreiding van handel (voornamelijk tussen hen onderling), met als gevoig dat in het begin van de jaren zeventig een zesde deel van de in Europa geconsumeerde goederen werd ingevoerd. Sindsdien is de interna­tionalisering ver voortgeschreden.

Toenemende internationalisering veronderstelt dat de markteconomie steeds meer gericht is op tilt­breiding van de wereldmarkt en niet meer zozeer op de binnenlandse markt. Dit heeft vergaande gevolgen voor de economische rol van de staat. Als gevolg van het feit dat de accumulatie van het kapitaal steeds meer begint af te hangen van de wereldmarkt, wordt de staat minder belangrijk voor het instandhouden van een binnenlandse markt. Concurrentievermogen wordt belangrijker voor economische groei dan uitbreiding van de binnenlandse vraag door overheidsinvesteringen. Onder voorwaarden van vrijhandel is concurrentievermogen niet alleen cruciaal voor een toenemende exportgerichte groei maar ook voor importgerichte binnendringing van concurrenten, dat ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor het niveau van binnenlandse bedrijfsactiviteit en werkloosheid. In dit verband worden de productievoorwaaiden aan de vraagkant van de economie in het bijzonder de productiekosten, cruciaal. Dat is de reden waarom het verminderen van de productiekosten, zowel het arbeidsloon als de sociale premies en belastingen, zo belangrijk wordt. Verlaging van de productiekosten beheist echter een drastische terugdringing van de staatsinvloed. Zo ontstaat het con­flict tussen staatsinmenging en internationalisering.

De crisis van het begin van dejaren zeventig werd gevormd door het ge­combineerde effect van de uitbrei­ding van de staatsinvloed en de in­ternationalisering. De crisis werd niet veroorzaakt door de oliecrisis zoals geopperd door voorstanders van de kortetermijnvisie, maar door een structurele verandering op lange termijn: het feit dat de mate van internationalisering van de markteconomie niet meer verenig­baar was met staatsinmenging. Dit was aangetoond door het feit dat de effectieve controle van de natie­staat op de economie bijna onmogelijk was geworden, als gevolg van de relatief vrije bewegirig van goederen en de hoge mobiliteit van kapitaal die de uitdijende Euro-valuta de facto hebben geintroduceerd. Het gevolg van deze ontwikkelingen was dat multinationale ondernemingen ongehinderd het nationale economische beleid, dat strijdig was met hun eigen belangen, konden saboteren.

De economische crisis van dejaren zeventig, die werd verergerd door de ineenstorting van het internationale monetaire stelsel, leidde tot de opkomst van het neoliberalisme. Hierbij moet benadrukt worden dat deze opkomst geen conjunctureel fenomeen is, zoals de sociaaldemocraten beweren. Het feit dat neoliberaal beleid vandaag de dag wordt gesteund door zowel conservatieve als sociaaldemocratische partijen als regeringspartij of in de oppositle en dat de belangrijkste elementen van het neoliberalisme geincorporeerd zijn in de strategien van internationale instituties die de wereldeconomie controleren (IME, Wereldbank), als ook in de verdra­gen die de EEG hebben hervormd (Single Market Act, Verdrag van Maastricht), maakt het overcluidelijk dat we te maken hebben met een neoliberale consensus die de failliete sociaaldemocratische consensus heeft vervangen. Bovendien hebben zowel de ineenstorting van het “reel bestaande socialisme” als het failliet van cle Westeuropese sociaaldemocratie (als gevolg van het atkalven om structurele redenen van haar electoraat) de politieke voorwaarden geschapen voor de voltooiing van de vrije markteconomie. Dit betekent met eenvoudigweg een terugkeer naar een negentiende-eeuws liberalisme; het is de maximalisatie van de rol van de markt en de minimalisering van sociale controle om de maximale “efficiency”, in de betekenis van winst en groei, te waarborgen.

De neoliberale consensus heeft vergaande consequenties op economisch, politiek, sociaal, ideologisch en cultureel viak. Op het economische viak dient deze consensus niet begrepen te worden als een volledige afzijdigheid van de staat in de economie. Men moet liberalisme/neoliberalisme niet verwarren met laissez-faire. De staat zelf creerde het systeem van de zelf-regulerende markt en een of andere vorm van staatsinmenging is altijd nodig geweest voor een soepel functioneren van het kapitalisme. De staat speelt tegenwoordig een cruciale rol wat de infrastructuur betreft en in het bijzonder ook om maatregelen te treffen die het concurrentievennogen bevorderen en die de werknemers scholen in het gebruik van de nieuwe technologieen. Het is dus niet waar dat de neoliberale consensus de oogappel van de sociaaldemocratische consensus, de gemengde economie, om zeep heeft geholpen (zoals vaak wordt beweerd). Het liberalisme deed in feite jets veel ergers. Het herdefinjeerde de inhoud van de gemengde economie, zodat het beter de belangen van de economische elite dient. Het reproduceert aan het begin van de 21e eeuw de verhoudingen van ongelijkheid en on­rechtvaardigheid die de 19e eeuw kenmerkten.

Desalniettemin moet benadrukt worden dat het niet zozeer de nationale staat is die bovengenoemde rol met betrekking tot de voorzieningen voor de economie dient te vervullen. De geinternationaliseerde fase van het vermarktingsproces veronderstelt de schepping van reusachtige economische blokken, waarbij de rol van de nationale staat steeds meer wijkt voor supranationale instituties. Dit is vooral het geval bij de EU, waar dit proces aleen begin heeft gemaakt, maar het geldt ook voor de NAFTA en het nu nog informele blok van het Verre Oosten.

2. De doodlopende weg van de huidige Europese integratie

De Europese integratie is een bijproduct van de internationalisering van de markteconomie. Het vrije verkeer van goederen en kapitaal maakte aanvankelijk de integratie tot een markt noodzakelijk. Nu is de monetaire eenwording noodzakelijk voor West-Europa om de concurrentie met de blokken in Noord-Amerika en het Verre Oosten te kunnen overleven.

Het integratieproces, dat in de jaren vijftig met het Verdrag van Rome begon, is op het moment in een versnelling gekomen met de Single Market Act, die in 1993 werd ingevoerd, en het Verdrag van Maastricht (dat het Verdrag van Rome verving), dat dit jaar vernieuwd zal worden en naar verwachting aan het einde van deze eeuw operationeel zal zijn. Het versnellen van dit proces was noodzakelijk geworden door de toenemende concurrentie met de andere twee delen van de Driehoek (Noord-Amerika en het Verre Oosten). De voorstanders hiervan zijn van mening dat alleen een markt van continentale omvang de veiligheid en de economische schaal kan bieden voor het overle­ven van het Europese kapitaal in de ultra-competitieve markt van de 21e eeuw. Inderdaad is de economische kloof tussen de Europese landen en de andere blokken de laatste tienjaar aanzienlijk toegenomen; een karakteristieke aanwijzing voor deze toenemende kloof is het feit dat de werelduitvoer van de Europese Unie in deperiode 1980-1994 met 7 procent afnam, die van de Verenigde Staten met 2 procent, terwiji die van Japan met maar Iiefst 31 procent toenam. De belangrijkste oorzaak voor het falen van Europa is het feit dat zijn concurrentievermogen sinds lange tijd achter dat van de anderen lag een feit dat niet los staat van de veel hogere mate van staatsinmenging die het “continentale” model kenmerkt.

De ineenstorting van de sociaaldemocratische consensus, volgend op de bloei van de neoliberale trend inde afgelopen tien jaar, betekent dat de stroming die uiteindelijk dominant werd in de Europese Unie de stroming was die economische integratie gelijkstelde met de radicale inkrimping van nationale controle op economische activiteiten, zonder een gelijktijdige opbouw van een supranationale controle uitgezoflderd de monetaire controle. Als gevolg hiervan is de uitvoerende macht van de Europese Unie beperkt tot het scheppen van een homogeen institutioneel kader dat ongebrei­deld ondernemerschap toestaat en tegelijkertijd een aantal minimale garanties voor milieubescherming en sociale voorzieningen bevat (die volledig verenigbaar zijn met de neoliberale consensus). De Single Market Act en ook het Verdrag van Maastricht hebben tot doel het concurrentievermogen te verbeteren door alle “institutionele” barrieres die door de sociaaldemocratische consensus waren ingevoerd, af te breken. Deze institutionele barrieres waren het keynesiaanse model van staatsinmenging om volledige werkgelegenheid te garanderen, de uitgebreide verzorgingsstaat die fiscale problemen veroorzaakte, de “beperkende handelingen” van de vakbonden en de openbare nutsbedrijven die met altijd volgens het micro-economische critenum van efficiency werken. Het belangrijkste doel van het Verdrag van Maastricht was de symptomen van deze institutionele barrieres aan te vallen en met name de inflatie en de staatsschulden, die waren veroorzaakt door de uitbreiding van het staatsingrijpen. De Europese Monetaire Unie en de Single Market Act betekenen dus niet de eenwording van de Europese volkeren of zelfs maar van de staten, maar alleen die van de vrije markten. Vrije markten betekenen met alleen het vrije verkeer van goederen, kapitaal en arbeid, maar ook “flexibilisering”, dat wil zeggen afschaffing van de beperkingen op vrije overeenkomsten voor lonen en prijzen en ook het beperken van de staatscontrole op economische activiteiten. Dit is de essentie van de neoliberale consensus die het institutionele kader van de Europese Unie kenmerkt, namelijk de verdere vermarkting van de economie. Het doel van de nieuwe instituties is duidelijk: de maximalisering van de vrijheid van het georganiseerde kapitaal, waarvan de accumulatie op alle mogelijke manieren wordt vergemakkelijkt en de minimalisering van de vrijheid van de georganiseerde werknemers, met alle mogelijke middelen en vooral door de dreiging van werkloosheid.

Het is tekenend dat de nationale economische controle op economische activiteiten en werkgelegenheid (die door de afschaffing van de fiscale vrijheid van de lidstaten door de convergentie criteria geleidelijk zal verdwijnen) niet vervangen is door een gemeenschappelijke Europese controle om volledige werkgelegenheid te garanderen. Terwiji er dus in de strijd tegen de inflatie, dat de concurrentiepositie en de winstmarges van het Europese kapitaal direct aantast, een voorziening op supranationaal niveau wordt gecreeerd, wordt de strijd tegen werkloosheid overgelaten aan het vrije spel van de markt. De ineenstortende nationale verzorgingsstaat wordt niet vervangen door een gemeenschappelijk sociaal beleid dat in de elementaire behoeften voorziet (gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid etc.) en een basisinkomen voor iedereen dat de “Euroarmoede” drastisch zou terugbrengen (het gaat om zo’n 50 miljoen mensen). In het belang van de verbetenng van het concurrentiepositie is het Europese ideaal ontaard tot een “veramenkaniseerd” Europa, waar luxe en extreme armoede naast elkaar be­staan en het comfortabele leven van de “40%-maatschappij” het spiegelbeeld is van de marginalisatie van de rest.

De EMU-voorzieningen (gemeenschappelijke centrale bank, gemeenschappelijke munt, convergentiecriteria) zullen de lidstaten van effectieve economische beleidsmaatregelen in de vorm van beleid op monetair, fiscaal en wisselkoersenviak beroven. De beloning hiervoor wordt geacht te zijn een gemeenschappelijke sterke munt, lage prijzen. structureel lagere rentetarieven en meer economische groei als gevolg van meer investeringen en handel doordat de instabiliteit en de wisselkoerschaos afneemt. Zonder nationaal agressief belastingbeleid (door de beperking op tekorten en de staatsschuld) en nationaal monetair beleid (omdat dit bepaald wordt door de centrale bank), moeten de deelnemers om toch concurrerend te blijven de productiekosten zo laag mogelijk houden en zoveel mogelijk inkomsten scheppen uit winst, dividend etc. Het eerste kan bereikt worden ofwel door hoge productiviteit en/of lage lonen (met inbegrip van indirecte kosten in de vorm van sociale premies). Het tweede kan bereikt worden door belastingverlichting en dus lage staatsuitgaven. Elk plan om bet kapitaal te belasten (in plaats van bezuinigingen op sociale zekerheid) is uitgesloten omdat de multinationale ondernemingen naar andere economische blokken of belastingparadijzen zullen uitwijken. Bovendien is een belasting op hogere inkomens uitgesloten omdat daar bezwaar tegen gemaakt zal worden door de “tevreden” minderheid uit de middenklasse, die een electorale meerderheid is (op dit punt zal in bet volgende nummer van de Raaf nader worden ingegaan, red.).

Dit betekent dat bij gebrek aan andere economische controlemogelijkheden op de markt de last van de economische herstructurering afgewenteld zal worden op de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is bet voornaamste doelwit van de liberalisering. Veel belangrij controlemaatregelen worden afgeschaft (bijvoorbeeld het minimumloon, de baanzekerheid in de privi-sector) en andere worden drastisch herzien (bijvoorbeeld beperkingen op part-time werk en ontslagrecht) met als duidelijk doel de arbeid “flexibeler” te maken, dat wil zeggen beter geschikt voor de voorwaarden van de markt (“hire-and-fire cultuur”). De afschaffing van deze controles, gecombineerd met het loslaten van de eis van volledige werkgelegenbeidalsook de wetgeving tegen de vakbonden, betekent dat de gevolgen van technologische vernieuwingen, die tot massale werkloosheid hebben geleid, met door staatsingrijpen worden geneutraliseerd: in plaats daarvan wordt het aan de markt overgelaten om bet probleem van de werkloosheid op te lossen. Het neoliberale beleid heeft bovendien door het beperken van de publieke sector direct bijgedragen aan de massale toename van de werkloosheid, die inmiddels de 20 miljoengrens heeft bereikt in de Europese Unie.

Het lijkt er op dat de huidige toestand van massale werkloosheid van voorbijgaande aard is, waarin de bijna volledige werkgelegenheid van de sociaaldemocratische consensus afgelost zal worden door een nieuwe toestand van massale laagbetaalde arbeid. Deze ontwikkeling zou de uitkomst zijn van zowel de liberalisering van de arbeidsmarkt als van de vastbesloten wil van de economische elite om de openlijke werkloosheid te verminderen (deze heeft een hoge politieke prijs en discrediteert de markt/groei-economie). Na de val van bet “Rijnlandse model” van het “sociale marktkapitalisme” kan gemakkelijk voorspeld worden dat door de geweldige concurrentie tussen de delen van de Drieboek er niet zozeer een toestand komt van massale openlijke werkloosbeid, maar van laag betaalde arbeid, part-time werkgelegenbeid en uitzendwerk in bet kader van “flexibele” arbeidsmarkten. De pioniers biervan zijn aan de ene kant de Verenigde Staten en Groot­Brirtannie en aan de andere kant Nederland, waarbij het “Nederlandse model” het “Angelsaksische model met een menselijk gezicht” is. Groot-Brittannie en Nederland hebben de laagste werkloosbeidscijfers in de Europese Unie, ze zijn vergelijkbaar met die van de Verenigde Staten. Nog belangrijker is dat de Verenigde Staten en Nederland tot de vijf meest competitieve landen in de internationale ranglijst behoren, Groot-Brittannie is van de 19e naar de 12e plaats gesprongen. Tegelijkertijd tonen alle recente rapporten aan dat er een sterke toenemende onzekerheid en ongelijkheid is tussen de “gelukkigen” met volledige banen en de rest van de bevolking.

De ongelijke gevolgen van de Europese Monetaire Unie moeten ook benadrukt worden. Een gemeenschappelijke monetair en wisselkoersbeleid kan alleen werken als er een grote mate van gelijkheid van economische voorwaarden is, gemeten aan maatstaven van productiviteit, investeringen, infrastructuur, natuurlijke hulpbronnen etc. Hoe groter de ongelijkheid des te groter zijn de problemen, omdat er spanningen tussen de sterkere en de zwakkere schakels in bet systeem zullen ontstaan. De zwakkere schakels zullen geen middelen meer hebben om terug te vechten (zoals protectionisme, rentekoersen, devaluatie etc.) en zullen dus moeten vertrouwen op hogere werkloosheid en grotere “flexibiliteit” van de arbeidsmarkt om de productiekosten te verlagen. Ook zal een grote overheveling van de sterke naar de zwakke schakels uitgesloten zijn door bet lage budget van de Europese Unie (op het moment bedraagt dit 1/10 van bet federale budget van de Verenigde Staten). Er zal dus niet alleen geen centraal mechanisme voor de distributie van hulpbronnen zjn, maar de leden zullen ook minder budgettaire autonomie hebben omdat zij aan de strikte convergentie-criteria moeten voldoen. Met het geleidehjk afschaffen van de controlemogelijkheden op de markten zullen landen met een hoge inflatie of met een laag productieniveau deflationaire maatregelen moeten nemen die de prijzen en lonen zullen neerdrukken zodat bet concurrentievermogen verbeterd wordt en de winsten van de economische elites intact blijven.

3. Is er een uitweg binnen de Europese Unie?

Het institutionele kader dat nu in Europa gecreeerd wordt bestaat uit een model waarin de voortzetting van groei afhankelijk is van meer internationalisering van de economie, door de vernietiging van de lokale economische zelfvoorziening en de voortgaande uitbreiding van de export om de groejende import te compenseren. In deze ontwikkeling die plaats vindt tus sen de regio’s (de Europese Unie tegenover de Verenigde Staten en Japan) en binnen elke regio zullen de meest competitieven de overwinnaars zijn, namelijk diege~ien die over de productie­ye en technologische bases besohikken die een voortdurende productie­groei mogelijk maken.

Het is duidelijk dat de sociaaldemocraten niet beschuldigd kunnen worden van “verraad” aande socialistische idealen en voor het instemmen met de neoliberale inhoud van het nieuwe Europa dat ontstaat. Ook is het met te wijten aan de huidige recessie ―die volgens sommige sociaalliberalen te wijten is aan de crisispolitiek van enkele lidstaten in hun poging om aan de convergentiecriteria van Maastricht te voldoen. Als we dergelijke interpretaties aannemen dan is de vervanging van het neoliberale raamwerk slechts een zaak om de “ware” socialisten aan de macht te brengen en opnieuw de sociaaldemocratische consensus in te voeren Er is helemaal geen sprake van verraad en de radicale verandering “van binnenuit” is ook niet mogelijk. Met andere woorden, als we zonder meet accepteren wat de sociaaldemocraten en hun medestanders in de milieubeweging accepteren, namelijk de internationale markteconomie en de noodzaak om voortclurend het concurrentievermogen te verbeteren door de arbeids-, kapitaals- en goederen­markt te liberaliseren, dan xnoet de inhoud van de sociaaldemocratie die zijn die nu verdedigd wordt door de sociaal-liberalen.

De reden hiervoor is dat binnen het kader van de internationale markteconomie, die de laatste fase vomitvan het vermarktingsproces, de minimalisering van de staat geen keuze is, maar een absolute voorwaarde voor het Europese kapitaal om te kunnen concurreren met het kapitaal uit de Verenigde Staten en bet Verre Oosten, die door bet ontbreken van een sociaaldemocratische traditie veel minder barrieres hoeven te overwinnen. Op het moment heeft de sociaaldemocratie dus noch op nationaal, noch op supranationaal niveau betekenis. Elke poging van Europese sociaaldemocraten om het huidige raamwerk te veranderen, om zodoende de rol van de staat te versterken, zal Europa minder concurrerend maken ten opzichte van de rest en zal resulteren in een massale vlucht van Europees kapitaal. Een nieuw Europees keynesianisme is ook niet werkbaar, tenzij het gecombineerd zou worden met zelfverzorgende groei en een beschermde binnenlandse markt. Maar zo’n voorstel gaat lijnrecht in tegen de logica en de dynamiek van het systeem. De voorstellen om het Verdrag van Maastricht open te breken om sociaaldemocratische doelen op te ne­men in de Europese Unie, zijn om dezelfde reden net zo utopisch, in de negatieve betekenis van het word. De Europese sociaaldemocraten stellen nu voor om een Europese “sociale markt” te creeren omdat de invoering op nationaal niveau niet meer mogelijk is. Dit op grond van de overweging dat de gezamenijike leden van de Europese Unie de macht hebben om de financieIe markt te reguleren, de kapitaalbewegingen te controleren en om de Ver­enigde Staten en Japan te dwingen om hun relatie te verbeteren als on­derdeel van een mondiale overeenkomst. De aanname van controle op de markt kan alleen doorgevoerd worden als het controles van het simpele regulerende type betreft. Het is duidelijk dat de Verenigde Staten en Japan geen bezwaren zullen hebben die het functioneren van de markt verbeteren. Maar als deze controles de vorm aannemen van werkelijke beperkingen van de markt om arbeid en bet milieu te besohermen, dan zullen noob de Verenigde Staten nocb Japan enige neiging hebben om zo’n maatregeler aan te nemen, die hen van een aan zienlijk voordeel tegenover de Europese, en vooral de Duitse, industrie voorzien. De enige mogelijkheid is dus om Europa van de internationak markt af te sluiten. En inderdaac heeft het pleidooi voor een “nieue protectionisme” aan aanhang gewonnen bij Europese socialisten er milieu-activisten.

Het feit dat multinationale ondernemingen een cruciale rol spelen bij de internationalisering van de markt economie, en het feit dat hun activiteiten niet alleen intraregionaal maar ook interregionaal zijn, bezegelt het lot van protectionistische bewegingen. Illustratief is het feit da het voornamelijk interregionale handel was die profiteerde van de periode van versnelde internationalisering (1958-1989). Ondanks de groei van de intraregionale handel in het bijzonder in de Europesc Unie, was de grootste groei in de periode 1958-1989 in de interregionale handel, dat wil zeggen de handel tussen Noord-Amerika, Europa en het Verre Oosten. Het is duidelijk dat de groei-of-sterf dynamiek van de markteconomie niet beperkt kan worden tot de grenzen van een economisch blok. Op dezelfde manier werd het in de geschiedenis ook nooit weerstaan door de grenzen van de nationale staten.

De eis van een nieuw protectionism is, indien bet het bestaande kade van de markteconomie en concurrentie als gegevenheden accepteer (betgeen bet geval is bij zowel he protectionisme van “links” ―groel protectionisme― als van rechts Buobanan en anderen in de Verenig de Staten, Goldsmith in Groot-Brittannie), zowel utopisch als a-historisch. Het is a-historisch omdat he de structurele veranderingen die tc de neoliberale consensus hebben geleid negeert. Het is utopisch omdat het bet feit veronachtzaamt dat elk daadwerkelijke poging om in te grijpen in het systeem van de markteconomie in de vorm van protecticnisme (van de “oude” of van de “nieuwe” soort) gedoemd is inefficient en niet-concurrerend te zijn en als zodanig tegen de logica en de dynamiek van het systeem indruist. Het is bovendien ook utopisch omdat het aanneemt dat de vergroening van de handel, of van de IMF/Wereldbank, of van het kapitalisme slechts een kwestie is van het overtuigen van mensen van het kwaad van de vrijhandel ideologie.

Net zo utopisch zijn de eisen om de Europese Unie radicaal te hervormen, zoals bijvoorbeeld de eisen van de “Europese marsen tegen de werkloosheid” die in juni in Amsterdam samenkomen. In plaats van de oproep aan de deelnemers aan de mars om hun afschuw uit te spreken over de plannen van de economische elites voor een Europa van de markt en de vervanging hiervan door een alternatief Europa dat niet op de markteconomie is gebaseerd, roepen zij op tot een andere verdeling van de welvaart voornamelijk door belastingen en een radicale arbeidstijdverkorting, zonder verlies van inkomen. Het is duidelijk dat zulke maatregelen, en vooral de arbeidstijdverkorting zonder inkomensverlies, een negatieve invloed zullen hebben op de productiviteit en daarom nooit zullen wordeen geaccepteerd door de economische elites; en als ze zulke maatregelen hadden aangenomen, dan zouden ze eenvoudigweg met uitsterven bedreigd worden door de concurrentie met de andere delen van de Driehoek.

Waar het werkelijk om gaat is of politieke, economische en sociale macht in handen moet zijn van de regerende Europese elites, zoals nu of dat dit in handen moet zijn van de Europese burgers en hun gemeenschappen, in een totaal ander institutioneel kader. Het wordt steeds duidelijker dat de enige weg uit de multi-dimensionale crisis gelegen is in de schepping van een nieuwe massale bevrijdingsbeweging die tot doel heeft om de Internationale markt en haar bijproduct, de Europese Unie, te vervangen voor een radicaal nieuw institutioneel raamwerk gebaseerd op eene integrale democratie (politiek, economisch, ecologisch, sociaal) gericht op de bevrediging van werkelijke behoeften in plaats van de behoeften die door de groei-economie werden gecreeerd. Op zo’n systeem, gebaseerd op de politieke en culturele autonomie van de Europese regio’s en hun economische zelfstandigheid, zou een nieuwe en daadwerkelijke Europese Gemeenschap’ kunnen ontstaan.

 


De auteur is internationaal hoofdredacteur van het tijdschrift Democracy & Nature. The journal for political ecology. Delen van dit artikel zijn  gebaseerd op zijn laatste boek "Towards an inclusive democracy. The crisis of the growth economy and the need for a new liberatory project" (Cassell, Londen 1997). Op zondagmiddag 5 oktober a.s zal Takis Fotopoulos een lezing voor De Vrije Socialist verzorgen in politiek/cultureel centrum De Badcuyp, 1e Sweelinckstraat 10 te Amsterdam.