Het onderstaande is een gedeelte van een artikel dat Takis Fotopoulos schreef voor de Raaf ter gelegenheid van de Europese Top in juni dit jaar in Amsterdam. De integrale tekst wordt gepubliceerd in de Raaf. In dit gedeelte schetst hij de achtergronden van de Europese integratie en de gevolgen hiervan voor de arbeidsmarkt (Peter Zegers).


Tegen het Europa van de markten

printable version

TAKIS  FOTOPOULOS


 

In juni zal het proces van de Europese integratie op een hoger plan gebracht worden, hetgeen aan het begin van de volgende eeuw zou kunnen leiden tot de aaneensluiting van verschillende Europese staten in een Economische en Monetaire Unie (EMU). Deze Unie vertegenwoordigt op geen enkele manier de oude socialistische droom van een “Europa van de volkeren”. De Unie vertegenwoordigt niet eens een fusie van staten in een nieuwe superstaat, alhoewel de mogelijkheid van een toekomstige federale staat niet uitgesloten mag worden. Wat de Unie wel vertegenwoordigt, is de schepping van een Europese markteconomie als een integraal onderdeel van de huidige dominante, geinstitutionaliseerde markteconomie. Hoe begon dit proces, welke factoren maakten de integratie noodzakelijk en wat is de betekenis van de EMU voor de Europese bevolking, en niet alleen voor de economische elites die tot integratie besloten? Dit zijn enkele vragen waarop in dit artikel getracht wordt een antwoord te formuleren.

De doodlopende weg van de huidige Europese integratie

De Europese integratie is een bijproduct van de internationalisering van de markteconomie. Het vrije verkeer van goederen en kapitaal maakte aanvankelijk de integratie tot een markt noodzakelijk. Nu is de monetaire eenwording noodzakelijk voor West-Europa om de concurrentie met de blokken in Noord-Amerika en het Verre Oosten te kunnen overleven.

 

Het integratieproces, dat in de jaren vijftig met het Verdrag van Rome begon, is op het moment in een versnelling gekomen met de Single Market Act, die in 1993 werd ingevoerd, en het Verdrag van Maastricht (dat het Verdrag van Rome verving), dat dit jaar vernieuwd zal worden en naar verwachting aan het einde van deze eeuw operationeel zal zijn. Het versnellen van dit proces was noodzakelijk geworden door de toenemende concurrentie met de andere twee delen van de Driehoek (Noord-Amerika en het Verre Oosten). De voorstanders hiervan zijn van mening dat alleen een markt van continentale omvang de veiligheid en de economische schaal kan bieden voor het overleven van het Europese kapitaal in de ultra-competitieve markt van de 21e eeuw. Inderdaad is de economische kloof tussen de Europese landen en de andere blokken de laatste tien jaar aanzienlijk toegenomen; een karakteristieke aanwijzing voor deze toenemende kloof is het feit dat de werelduitvoer van de Europese Unie in de periode 1980-1994 met 7 procent afnam, die van de Verenigde Staten met 2 procent, terwijl die van Japan met maar liefst 31 procent toenam. De belangrijkste oorzaak voor het falen van Europa is het feit dat zijn concurrentievermogen sinds lange tijd achter dat van de anderen lag – een feit dat niet los staat van de veel hogere mate van staatsinmenging die het “continentale” model kenmerkt.

 

De ineenstorting van de sociaaldemocratische consensus, volgend op de bloei van de neoliberale trend in de afgelopen tien jaar, betekent dat de stroming die uiteindelijk dominant werd in de Europese Unie de stroming was die economische integratie gelijkstelde met de radicale inkrimping van nationale controle op economische activiteiten, zonder een gelijktijdige opbouw van een supra-nationale controle ―uitgezonderd de monetaire controle. Als gevolg hiervan is de uitvoerende macht van de Europese Unie beperkt tot het scheppen van een homogeen institutioneel kader dat ongebreideld ondernemerschap toestaat en tegelijkertijd een aantal minimale garanties voor milieubescherming en sociale voorzieningen bevat (die volledig verenigbaar zijn met de neoliberale consensus). De Single Market Act en ook het Verdrag van Maastricht hebben tot doel het concurrentievermogen te verbeteren door alle “institutionele” barrieres die door de sociaaldemocratische consensus waren ingevoerd, af te breken. Deze institutionele barrieres waren het keynesiaanse model van staatsinmenging om volledige werkgelegenheid te garanderen, de uitgebreide verzorgingsstaat die fiscale problemen veroorzaakte, de “beperkende handelingen” van de vakbonden en de openbare nutsbedrijven die niet altijd volgens het micro-economische criterium van efficiency werken. Het belangrijkste doel van het Verdrag van Maastricht was de symptomen van deze institutionele barrieres aan te vallen en met name de inflatie en de staatsschulden, die waren veroorzaakt door de uitbreiding van het staatsingrijpen. De Europese Monetaire Unie en de Single Market Act betekenen dus niet de iinwording van de Europese volkeren of zelfs maar van de staten, maar alleen die van de vrije markten. Vrije markten betekenen niet alleen het vrije verkeer van goederen, kapitaal en arbeid, maar ook “flexibilisering”, dat wil zeggen afschaffing van de beperkingen op vrije overeenkomsten voor lonen en prijzen en ook het beperken van de staatscontrole op economische activiteiten. Dit is de essentie van de neoliberale consensus die het institutionele kader van de Europese Unie kenmerkt, namelijk de verdere vermarkting van de economie. Het doel van de nieuwe instituties is duidelijk: de maximalisering van de vrijheid van het georganiseerde kapitaal, waarvan de accumulatie op alle mogelijke manieren wordt vergemakkelijkt en de minimalisering van de vrijheid van de georganiseerde werknemers, met alle mogelijke middelen en vooral door de dreiging van werkloosheid.

 

Het is tekenend dat de nationale economische controle op economische activiteiten en werkgelegenheid (die door de afschaffing van de fiscal vrijheid van de lidstaten door de “convergentie” criteria geleidelijk zal verdwijnen), niet vervangen is door een gemeenschappelijke Europese controle om volledige werkgelegenheid te garanderen. Terwijl er dus in de strijd tegen de inflatie, dat de concurrentiepositie en de winstmarges van het Europese kapitaal direct aantast, een voorziening op supra-nationaal niveau wordt gecreeerd, wordt de strijd tegen werkloosheid overgelaten aan het vrije spel van de markt. De ineenstortende nationale verzorgingsstaat wordt niet vervangen door een gemeenschappelijk sociaal beleid dat in de elementaire behoeften voorziet (gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid etc.) en een basisinkomen voor iedereen dat de “Euro-armoede” drastisch zou terugbrengen (het gaat om zo’n 50 miljoen mensen). In het belang van de verbetering van het concurrentiepositie is het Europese ideaal ontaard tot een “veramerikaniseerd” Europa, waar luxe en extreme armoede naast elkaar bestaan en het comfortabele leven van de “40%-maatschappij” het spiegelbeeld is van de marginalisatie van de rest.

De EMU-voorzieningen (gemeenschappelijke centrale bank, gemeenschappelijke munt, convergentie-criteria) zullen de lidstaten van effectieve economisch beleidsmaatregelen in de vorm van beleid op monetair, fiscaal en wisselkoersenvlak beroven. De beloning hiervoor wordt geacht te zijn een gemeenschappelijke sterke munt, lage prijzen, structureel lagere rentetarieven en meer economische groei als gevolg van meer investeringen en handel doordat de instabiliteit en de wisselchaos afneemt. Zonder national agressief belastingbeleid (door de beperking op tekorten en de staatsschuld) en nationaal monetair beleid (omdat dit bepaald wordt door de centrale bank), moeten de deelnemers om toch concurrerend te blijven de productiekosten zo laag mogelijk houden en zoveel mogelijk inkomsten scheppen uit winst, dividend etc. Het eerste kan bereikt worden ofwel door hoge productiviteit en/of lage lonen (met inbegrip van indirecte kosten in de vorm van sociale premies). Het tweede kan bereikt worden door belastingverlichting en dus lage staatsuitgaven. Elk plan om het kapitaal te belasten (in plaats van bezuinigingen op sociale zekerheid) is uitgesloten omdat de multi-nationale ondernemingen naar andere economische blokken of belastingparadijzen zullen uitwijken. Bovendien is een belasting op hogere inkomens uitgesloten omdat daar bezwaar tegen gemaakt zal worden door de “tevreden” minderheid uit de middenklasse, die een electorale meerderheid is (op dit punt zal in het volgende nummer van de Raaf nader worden ingegaan, red.).


Dit betekent dat bij gebrek aan andere economische controlemogelijkheden op de markt de last van de economische herstructurering afgewenteld zal worden op de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is het voornaamste doelwit van de liberalisering. Veel belangrijke controlemaatregelen worden afgeschaft (bijvoorbeeld het minimumloon, de baanzekerheid in de privi-sector) en andere worden drastisch herzien (bijvoorbeeld beperkingen op part-time werk en ontslagrecht) met als duidelijk doel de arbeid “flexibeler” te maken, dat wil zeggen beter geschikt voor de voorwaarden van de markt (“hire-and-fire cultuur”). De afschaffing van deze controles, gecombineerd met het loslaten van de eis van volledige werkgelegenheid alsook de wetgeving tegen de vakbonden, betekent dat de gevolgen van technologische vernieuwingen, die tot massale werkloosheid hebben geleid, niet door staatsingrijpen worden geneutraliseerd: in plaats daarvan wordt het aan de markt overgelaten om het probleem van de werkloosheid op te lossen. Het neoliberale beleid heeft bovendien door het beperken van de publieke sector direkt bijgedragen aan de massale toename van de werkloosheid, die inmiddels de 20 miljoengrens heeft bereikt in de Europese Unie.

 

Het lijkt er op dat de huidige toestand van massale werkloosheid van voorbijgaande aard is, waarin de bijna volledige werkgelegenheid van de sociaaldemocratische consensus afgelost zal worden door een nieuwe toestand van massale laagbetaalde arbeid. Deze ontwikkeling zou de uitkomst zijn van zowel de liberalisering van de arbeidsmarkt als van de vastbesloten wil van de economische elite om de openlijke werkloosheid te verminderen (deze heeft een hoge politieke prijs en discrediteert de markt/groei-economie). Na de val van het “Rijnlandse model” van het “sociale marktkapitalisme” kan gemakkelijk voorspeld worden dat door de geweldige concurrentie tussen de delen van de Driehoek er niet zozeer een toestand komt van massale openlijke werkloosheid, maar van laag betaalde arbeid, part-time werkgelegenheid en uitzendwerk in het kader van “flexibele” arbeidsmarkten. De pioniers hiervan zijn aan de ene kant de Verenigde Staten en Groot-Brittannie en aan de andere kant Nederland, waarbij het “Nederlandse model” het “Angelsaksische model met een menselijk gezicht” is. Groot-Brittannie en Nederland hebben de laagste werkloosheidscijfers in de Europese Unie, ze zijn vergelijkbaar met die van de Verenigde Staten. Nog belangrijker is dat de Verenigde Staten en Nederland tot de vijf meest competitieve landen in de internationale ranglijst behoren, Groot-Brittannie is van de 19e naar de 12e plaats gesprongen. Tegelijkertijd tonen alle recente rapporten aan dat er een sterke toenemende onzekerheid en ongelijkheid is tussen de “gelukkigen” met volledige banen en de rest van de bevolking.


De ongelijke gevolgen van de Europese Monetaire Unie moeten ook benadrukt worden. Een gemeenschappelijke monetair en wisselkoersbeleid kan alleen werken als er een grote mate van gelijkheid van economische voorwaarden is, gemeten aan maatstaven van productiviteit, investeringen, infrastructuur, natuurlijke hulpbronnen etc. Hoe groter de ongelijkheid des te groter zijn de problemen, omdat er spanningen tussen de sterkere en de zwakkere schakels in het systeem zullen ontstaan. De zwakkere schakels zullen geen middelen meer hebben om terug te vechten (zoals protectionisme, rentekoersen, devaluatie etc.) en zullen dus moeten vertrouwen op hogere werkloosheid en grotere “flexibiliteit” van de arbeidsmarkt om de productiekosten te verlagen. Ook zal een grote overheveling van de sterke naar de zwakke schakels uitgesloten zijn door het lage budget van de Europese Unie (op het moment bedraagt dit 1/10 van het federale budget van de Verenigde Staten). Er zal dus niet alleen geen centraal mechanisme voor de distributie van hulpbronnen zijn, maar de leden zullen ook minder budgetaire autonomie hebben omdat zij aan de strikte convergentie-criteria moeten voldoen. Met het geleidelijk afschaffen van de controlemogelijkheden op de markten zullen landen met een hoge inflatie of met een laag productieniveau deflationaire maatregelen moeten nemen die de prijzen en lonen zullen neerdrukken zodat het concurrentievermogen verbeterd wordt en de winsten van de economische elites intact blijven.

 

 


De auteur is internationaal hoofdredacteur van het tijdschrift Democracy & Nature: The journal for political ecology. Delen van dit artikel zijn gebaseerd op zijn laatste boek "Towards a inclusive democracy. The crisis of the growth economy and the need for a new liberatory project" (Cassell, Londen 1997). Op zondagmiddag 5 oktober a.s zal Takis Fotopoulos een lezing voor De Vrije Socialist verzorgen in politiek/cultureel centrum De Badcuyp, 1e Sweelinckstraat 10 te Amsterdam.